1918-1940
Nadat in november 1918 een wapenstilstand was overeengekomen, werd in mei 1919 het Verdrag van Versailles ondertekend. Het Handvest van de Volkenbond maakte daarvan deel uit. De Volkenbond was bedoeld om de vrede te handhaven en de internationale samenwerking te bevorderen, en werd als zodanig enthousiast ontvangen door de pacifistische organisaties. Vrede door Recht en de Anti Oorlog Raad zagen de Volkenbond als een belangrijke stap vooruit en wilden zich volledig voor de zaak gaan inzetten. Met dat doel fuseerden zij in de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede (VvVV). In 1920 werd Nederland lid van de Volkenbond. De activiteiten van de Vereeniging veranderde goeddeels in het ondersteunen en sturen van het Nederlands beleid binnen de Volkenbond. In zekere zin was met de totstandkoming van een internationale statenorganisatie de basis gelegd voor de verwerkelijking van de ideeën uit de liberale pacifistische stroming. Die ideeën bestonden uit: het oplossen van geschillen door arbitrage, internationale overeenkomsten voor ontwapening, afschaffing van de dienstplicht, volkenrechtelijke bescherming van minderheden en vrijheid van internationale handel. De betekenis van de stroming nam vanaf het begin van de jaren 1920 sterk in betekenis af. Dit kwam doordat de betrekkelijk kleine groep mensen van de Vereeniging geen nieuwe ideeën ontwikkelde en door de toegenomen activiteiten van andere groepen binnen de vredesbeweging. Via internationale conferenties werd wel contact onderhouden met Volkenbondverenigingen in andere landen.
Na de oorlog bleef dienstweigering het verbindende element tussen de verschillende antimilitaristische groepen. In 1921 werden omvangrijke acties gehouden rond IAMV-lid Herman Groenendaal, die in juni van dat jaar wegens dienstweigering gevangen was gezet. Uit protest tegen de criminalisering van dienstweigeraars ging hij daarop in hongerstaking. Dat leidde tot een groeiend aantal acties voor zijn vrijlating en voor de vrijlating van alle dienstweigeraars, die meestal tot 10 maanden werden veroordeeld. Plaatselijke groepen organiseerden protestbijeenkomsten en in Amsterdam staakten duizenden vakbondsleden van het syndicalistische Nationaal Arbeids Sekretariaat. De vele acties in deze ‘Herman Groenendaal-zomer’ hebben de totstandkoming van een wettelijke regeling van dienstweigering versneld.
Nadat de nieuwe grondwet in 1922 het recht op dienstweigering erkende, trad midden 1923 de eerste Dienstweigeringswet in werking. Godsdienstige en ethische bezwaarde weigeraars konden voortaan, een 12 maanden langer durende, burgerdienst doen. Politieke bezwaren erkende de wet niet, zodat ieder jaar een aantal politieke weigeraars in de gevangenis terecht bleef komen. Hetzij omdat zij een beroep op de wet als een erkenning van de staat zagen, of omdat hun bezwaren niet werden erkend.
De IAMV had bij de acties in 1921 een belangrijke rol gespeeld. In een poging weer een internationale organisatie te vormen, was op een congres met Pasen van dat jaar in Den Haag het Internationaal Anti Militaristische Bureau tegen Oorlog en Reaktie (IAMB) opgericht, waarvan organisaties uit veel Europese landen lid werden. Ondanks de stevige tegenwerking van de Nederlandse regering – een aantal deelnemers krijgt geen visum, enkele van hen waren toch illegaal aanwezig, waardoor besloten zittingen nodig waren.
In de marge van het Internationale Antimilitaristisch Congres in Den Haag werd ook een organisatie opgericht, die op langere termijn over meer levensvatbaarheid bleek te beschikken dan het IAMB. Kort voor het congres was een aantal geweldloze antimilitaristen – die vooral individuele dienstweigering als strijdmiddel van belang vinden – op initiatief van de quaker Kees Boeke bij elkaar gekomen. Deze wilden een eigen organisatie oprichten als het IAMB geen volstrekt geweldloos standpunt zou innemen. Dit gebeurt niet, waarna op het congres in Den Haag de oprichting van hun eigen organisatie werd aangekondigd. De groep noemde zich eerst ‘Paco’ -naar het Esperantowoord voor vrede. De oprichting gebeurde uiteindelijk in Bilthoven. De zetel ervan werd in 1923 verplaatst naar Londen en de naam werd toen War Resisters International (WRI). Bij de WRI gold een persoonlijk ‘belofte’-principe. Men verplichte zich persoonlijk om nooit aan een oorlog deel te nemen, dus dienst te weigeren. Bij de WRI waren geen organisaties aangesloten, maar het kende alleen leden die de belofte – in Nederland bijvoorbeeld het Dienstweigeringsmanifest – ondertekend hadden.
De verstandhouding tussen beide organisaties was overigens goed; in de loop van de jaren 1920 werd de WRI belangrijker dan het IAMB.
De Vlootwetacties
Het jaar 1923 was niet alleen van belang voor de vredesbeweging vanwege de dienstweigeringswet, maar ook vanwege de verwerping van de vlootwet. De regering had al langer plannen om de verouderde vloot te vernieuwen, vooral met het oog op de verdediging van Nederlandsch Indië – een operatie die op ruim 200 miljoen gulden was begroot. De protesten daartegen kwamen aanvankelijk vooral van radicale vredesorganisaties, maar werden later overgenomen door de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en het Nationaal Vak Verbond (NVV). Zo kon het gebeuren dat eind september 1923 op het Museumplein in Amsterdam een demonstratie tegen de vlootwet startte van 80.000 mensen. Drie weken later bij het begin van de Kamerdebatten over de vlootwet kon een petitie met 1.132.228 handtekeningen worden aangeboden. Vooral onder druk van de katholieke vakbeweging stemden uiteindelijk 10 katholieke Kamerleden met de oppositie mee. En omdat bij de stemming één Kamerlid ontbrak, werd de vlootwet met 50 tegen 49 stemmen verworpen. De tegenstanders in en buiten het parlement waren uitgelaten over dit succes.
Verbreding van de beweging
Door het ontstaan van drie nieuwe organisaties werd de vredesbeweging in 1924 belangrijk uitgebreid. Allereerst kwam de Nooit Meer Oorlog Federatie, waarvan de naam refereerde aan een ook in Nederland aanwezige stemming, tot stand. Het initiatief daartoe was genomen door de Nederlandse afdeling van de Internationale Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid (WILPF), zoals het Nationale Comité van Vrouwen voor Duurzame Vrede was gaan heten. De bedoeling van de NMOF was, om alle pacifistische en antimilitaristische organisaties op één of andere manier te verenigen. Na moeizame besprekingen kwam een minimaal programma tot stand. Organisaties die één van de geformuleerde doelstellingen onderschreven, konden zich aansluiten. Te kiezen viel onder andere uit: bestrijden van militair geweld als nationaal machtsmiddel, nationale en internationale ontwapening, democratisering van de Volkenbond en uitbreiding van haar bevoegdheden. Behalve veel vredesorganisaties sloten ook vakbonden en politieke partijen zich bij de Federatie aan. Bijvoorbeeld de Vrijzinnig Democratische Bond, een van de partijen die pleitte voor nationale, eenzijdige ontwapening – omdat een klein land als Nederland zichzelf toch niet alleen zou kunnen verdedigen. Het VDB Eerste Kamerlid Van Embden benadrukte in zijn pleidooien voor ontwapening ook de onmogelijkheid tot verdediging tegen moderne wapens zoals gifgas.
Ondanks de ingenieuze vondst om de aangesloten organisaties slechts één van de doelstellingen te laten onderschrijven, slaagde de NMOF niet in haar opzet. De grootste organisatie uit de traditionele vredesbeweging, de VvVV, trad niet toe, omdat zij sommige doelstellingen te radicaal vonden. Ook revolutionair radicaal-antimilitaristische groepen bleven buiten de federatie. Ze vreesde verwatering van hun doelstellingen en hadden vooral grote bezwaren tegen de oriëntatie van de NMOF op het parlement en de Volkerenbond. Incidenteel werkten ze wel samen met de federatie, vooral in de acties rond het dienstweigeren.
Jongeren Vredes Actie
Evenals bij andere bevolkingsgroepen was de indruk van de oorlogsellende bij de generatie, die in en direct na de Eerste Wereldoorlog opgroeide, onuitwisbaar. De ‘nooit-meer-oorlog’-gedachte kon zich gemakkelijk verbinden met het idealisme van de jongeren. Aanvankelijk hadden antimilitarisme en pacifisme nauwelijks een aparte plaats en lagen ze meer besloten in een algemeen verlangen naar maatschappijvernieuwing. Als na verloop van een aantal jaren de verwachting dat de maatschappij ingrijpend zou veranderen ongegrond bleek, kwam het vredesstreven als apart element duidelijker naar voren.
Het kreeg in 1924 organisatorisch vorm in enerzijds de ‘Pinkstermobilisaties’ van de anarchistische jeugd en anderzijds in de Jongeren Vredes Actie (JVA).
Het Vrije Jeugd Verbond (VJV), een kleine anarchistische groepering, vormde de bakermat voor de Pinkstermobilisaties. Binnen het VJV bestond een radicale groep van ongeveer 500 leden, die geweldloosheid afwezen en sabotage-acties propageerden. Zij groepeerde zich rondom het blad ‘De Moker’. Toen het blad werd opgeheven, behield de groep toch deze naam. Zij werd de drijvende kracht achter de antimilitaristische Pinkstermobilisaties, die van 1924 tot 1928 jaarlijks werden gehouden en door zo’n 300 à 400 jongeren werden bezocht. Met het verdwijnen van het elan van de anarchistische jongerenbeweging aan het eind van de jaren 1920 was het ook met deze antimilitaristische activiteit gedaan. De erfenis is echter nog steeds aanwezig. Tot op de dag van vandaag wordt er met Pinksteren in Appelscha een antimilitaristische mobilisatie georganiseerd.
Van langere duur is de Jongeren Vredes Actie. De oprichting was het resultaat van een landelijke bijeenkomst van verschillende jongerenvredesgroepen in het najaar van 1924. Het initiatief voor deze bijeenkomst was uitgegaan van de Vrijzinnig Christelijke Jongeren Bond (VCJB) en de Vrijzinnig Christelijke Studenten Bond (VCSB); organisaties, die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren ontstaan.
De politieke samenstelling van de VCJB en de VCSB was nogal heterogeen. Antikapitalistische gevoelens waren wel algemeen aanwezig, maar deze leiden slechts bij enkelen tot socialistische opvattingen. Het pacifistisch engagement van de leden van de VCJB en VCSB, werd gevoed door teleurstelling. Een aantal jaren na de Eerste Wereldoorlog bleek hun hoop op maatschappelijke vernieuwingen en een deugdelijke vredesregeling vergeefs.
De persoonlijke motivatie was over het algemeen religieus van aard, maar er was geen sprake van een specifiek kerkelijke binding.
De politieke heterogeniteit van de VCJB en VCSB was terug te zien in de JVA, waar beide organisaties hun stempel op drukte. De leidende figuren kwamen hoofdzakelijk uit vrijzinnig-christelijke hoek. En hoe breed de politieke basis van de JVA ook was, naar links waren er duidelijk grenzen. Dienstweigeren bijvoorbeeld was na een aantal jaren in de JVA gebruikelijk, maar na 1924 beriep men zich meestal op de Dienstweigeringswet en deed vervangende burgerdienst. Dit was in overeenstemming met de principiële erkenning van de staat en met de bereidheid deze te dienen. Opmerkelijk was de belangrijke rol van vrouwen binnen de JVA. Er zaten vrouwen in het bestuur en in de redactie van het JVA-blad ‘Vredesstrijd’.
De belangrijkste gebeurtenis voor de pacifistische jongerenbeweging in de jaren twintig is het ‘Wereldcongres der Jongeren voor de Vrede’, dat in augustus 1928 in Eerde bij Ommen gehouden werd. De op het congres gelegde kontakten tussen verschillende Nederlandse jeugdorganisaties leidde in 1929 tot de oprichting van de Jongeren Vredes Federatie (JVF). In 1931 waren dertien organisaties met totaal ongeveer 20.000 leden bij de JVF aangesloten.
Uiteraard werkten beide organisaties veel samen, bijvoorbeeld bij de actie tegen de jaarlijkse collecte van het Rode Kruis. Vóór de Eerste Wereldoorlog had de IAMV zich al tegen die organisatie gekeerd, omdat die de oorlog wilde ‘humaniseren’, en de jongerenorganisaties spraken nu (1931/32) van ‘militarisme in verpleegstersuniform’. Rond die Rode Kruisactie ontstond ook de Anti-Oorlogsgroep van Verplegenden, terwijl in diezelfde periode een aantal artsen binnen hun vakorganisatie voor de vrede actief was. Zij wezen op de betrekkelijke onmacht van de geneeskunst ten opzichte van bijvoorbeeld een gifgasoorlog, en wezen inschakeling van Rode Kruis en anderen bij civiele oorlogsvoorbereiding af. Daarnaast was het Kunstenaarscentrum Geweldloze Weerbaarheid actief, en voerden chemici actie tegen chemische wapens. .
In 1931 werd ook de Studenten Vredes Actie (SVA) opgericht, voornamelijk bestaande uit studenten die al actief waren in de JVA. De SVA vond dat organisaties als de JVA te weinig aantrekkingskracht uitoefenden op studenten. Bovendien voelde de SVA zich als aparte groep duidelijk aangesproken door een rede van Bart de Ligt in Frankfurt (1929). Daarin wees deze op de groeiende betekenis van intellectuelen bij de oorlog en oorlogsvoorbereiding. De Ligt noemde onder andere chemici, artsen, ingenieurs en technici en riep hen op hun intellectuele arbeid niet langer in dienst te stellen van de oorlog. Studenten in Amsterdam, Leiden en Utrecht pakten de oproep van De Ligt op. In de loop van 1931 werden in deze drie steden afdelingen van de SVA opgericht.
De studentenvredesbeweging bleef beperkt tot de universiteitssteden Utrecht, Leiden, Amsterdam en Groningen.Groot was de SVA niet, het ledental schommelde rond de 350. Voor de JVA was ze echter van groot belang. Veel van de leidinggevende figuren in de JVA kwamen voort uit de SVA. De studenten en jonge academici uit de SVA drukten bovendien hun stempel op de inhoudelijke discussies en zorgden voor een radicalisering van de politieke oriëntatie van de JVA.
De politieke opvattingen van de JVA ontwikkelden zich langzaam in socialistische richting. Er werd een verbinding gelegd tussen de vredesstrijd en de strijd voor het socialisme. Zo werd het ‘moderne imperialisme’ veroordeeld en werd vastgesteld dat een vreedzame internationale ordening niet mogelijk zou zijn, bij de bestaande maatschappelijke verhoudingen, omdat oorlogen voortkomen uit deze verhoudingen.
De economische crisis die in het begin van de jaren dertig uitbrak en de opkomst van het fascisme in Europa droegen bij aan de ontwikkeling van de JVA in socialistische richting.
Kerk en Vrede
Nieuw in de jaren 1920 waren de kerkelijke vredesorganisaties. Zij onderscheiden zich van de bestaande religieus-geïnspireerde organisaties, doordat zij nauwe banden hadden met kerkgenootschappen. Het werken binnen die kerken vormde een erg belangrijk onderdeel van hun vredesactiviteiten. Het verzet tegen oorlog en oorlogsvoorbereiding werd vaak uitsluitend ingegeven door theologische overwegingen.
Als belangrijkste moet Kerk en Vrede genoemd worden. Hoewel deze organisatie open stond voor leden van alle kerkgenootschappen, was het in feite een protestants-christelijke organisatie. De oprichting van Kerk en Vrede vond plaats in 1924. Initiatiefnemer was Ds. Hugenholtz. In september 1924 richtte hij zich in een open brief aan alle kerkelijke voorgangers met de oproep zich aaneen te sluiten om zo een bond te vormen. Die bond moest zich tegen het militarisme uitspreken op grond van een christelijke levensbeschouwing. Een dergelijke bond zou, volgens Hugenholtz, van grote morele betekenis zijn bij het stimuleren van de vredes- en ontwapeningsgedachte binnen en buiten de kerken. Daarop werd op 8 oktober 1924 de bond Groep van godsdienstige voorgangers tegen oorlog en oorlogstoerusting opgericht. Spoedig na de oprichting werd de naam veranderd in Kerk en Vrede, naar het blad van de bond.
Uitgangspunt van deze organisatie was de onverenigbaarheid van oorlog en evangelie, waarmee zij zich tegen de gangbare kerkelijke rechtvaardiging van oorlogen keerde. ‘De zondeval van het christendom’, zo noemde een voorman van Kerk en Vrede, G.J. Heering, de verzoening van het christendom met het oorlogsbedrijf (vanaf het moment dat het een staatsgodsdienst werd). De organisatie stelde de eis tot internationale ontwapening, tot erkenning van het werk van de Volkerenbond – mits het niet-militaire sancties betrof – en tot nationale éénzijdige ontwapening. Het dienstweigeren (mits niet op politieke gronden) werd onvoorwaardelijk ondersteund.
Het antimilitarisme van Kerk en Vrede was in woord en daad radicaal. Toch ontbrak het de organisatie aan een duidelijke maatschappijanalyse. De begrippen die Kerk en Vrede gebruikte waren abstract en niet in een maatschappelijke context geplaatst.
Kerk en Vrede kreeg 8.000 à 9.000 leden. Vooral door de grote activiteit van Ds. Hugenholtz werd Kerk en Vrede een belangrijke organisatie binnen de Nederlandse Vredesbeweging. Het maandblad ‘Kerk en Vrede’ bereikte een oplage van 10.000 exemplaren.
Door het optreden van Kerk en Vrede en de JVA kregen de begrippen ‘pacifisme’ en ‘antimilitarisme’ een andere inhoud. De houding ten opzichte van de bestaande maatschappij kon niet langer gelden als criterium voor het onderscheid. De Jongeren Vredes Actie omschreef haar ideeën namelijk als ‘jong’, ‘nieuw’, of ‘links pacifisme’, terwijl zij vanaf rond 1930 duidelijk verband legde tussen vrede en maatschappijstructuur. De ideeën van Kerk en Vrede werden daarentegen ‘christen-antimilitaristisch’ genoemd, terwijl een radicale maatschappijvisie ontbrak. Politieke dienstweigering bijvoorbeeld werd afgewezen, en in het algemeen werd duidelijk afstand gehouden van het anarchisme. Hoezeer beide begrippen waren veranderd, blijkt ook uit het feit dat zowel de Jongeren Vredes Actie als Kerk en Vrede lid werden van de Nooit Meer Oorlog Federatie (NMOF) in de jaren 1930.
Naar aanleiding van de Russische revolutie (1917) en de daarop volgende gebeurtenissen werd in de jaren 1920 binnen de radicalere vleugel van de vredesbeweging gediscussieerd over geweld en sociale verandering. Uiteindelijk wezen de betrokken vredesorganisaties in die discussie ook ‘rood militarisme’ af, en een aantal van hen keek met belangstelling naar de geweldloze strategieën die Mahatma Gandhi in India gebruikte. Twee centrale figuren uit de Nederlandse vredesbeweging in het interbellum behoorden daartoe: de anarchist Bart de Ligt, die een kritische briefwisseling voerde met de ook op staatsmacht georiënteerde Gandhi (1928-1930), en de ethisch socialiste Henriëtte Roland Holst, mede-oprichtster van de Vereniging Vrienden van India (1934), die Gandhi’s methoden meer bekendheid wilde geven. In de jaren 1930 zou geweldloosheid een steeds belangrijker thema binnen de vredesbeweging worden.
Ook de Jongeren Vredes Actie toonde sympathie voor Gandhi, en wel vanuit een groeiende belangstelling voor imperialisme en koloniale politiek. In de jaren rond 1930 maakte de organisatie een radicaliseringsproces door, dat werd afgesloten met een keuze voor het socialisme als ‘richtsnoer’. Het werd geen ‘uitgangspunt’, omdat er binnen de JVA ook links-liberale en christelijke stromingen waren. Om ook organisaties bij het vredeswerk te kunnen betrekken die niet alle JVA-doelstellingen onderschreven, werd in 1929 de Jongeren Vredes Federatie opgericht.
Crisis en bezinning op geweld
De Ontwapeningsconferentie van de Volkenbond in 1932 en 1933 werd binnen het grootste deel van de vredesbeweging, dat positief stond tegenover de volkerenorganisatie, met spanning gevolgd. Al was niet iedere organisatie even optimistisch over de afloop ervan, aan de internationale handtekeningenactie waarin om effectieve ontwapeningsmaatregelen werd gevraagd, werkten velen enthousiast mee. Het mislukken van de conferentie was vooral voor die mensen een teleurstelling.
Duitsland had de conferentie voortijdig verlaten, en het daarmee samenhangende aan de macht komen van Hitler, begin 1933, deed een aantal radicalere vredesactivisten van mening veranderen. Het voorbeeld van Einstein, die aanvankelijk voor dienstweigering was, maar nu zei tegen fascisme geweld noodzakelijk te vinden, werkte als een schok. Het ledenaantal van de meeste vredesorganisaties liep terug en de vredesbeweging raakte in een crisis. Bijvoorbeeld het aantal leden van Kerk en Vrede nam daarna af tot omstreeks 5.500 in 1940. De crisis leidde tot een bezinning op de eigen ideeën, en degenen die binnen de vredesbeweging actief bleven, kozen daarna nog gemotiveerder voor een geweldloze strategie. Bart de Ligt bijvoorbeeld presenteerde in 1934 op een War Resisters International conferentie een strijdplan tegen oorlog en oorlogsvoorbereiding, want dat er van dergelijke voorbereidingen gesproken kon worden, was veel vredesactivisten al lang duidelijk.
In sommige organisaties kwam het bezinningsproces enkele jaren later op gang, overigens met dezelfde uitkomst. Naar aanleiding van de Spaanse burgeroorlog, waarin fascisten vanaf 1936 de gekozen regering bestreden, discussieerde de inmiddels tot enkele honderden leden teruggelopen IAMV over geweldgebruik. Een aantal leden achtte geweld van de Spaanse anarchisten tegen de fascisten gerechtvaardigd, maar de meerderheid wees iedere vorm van collectief geweld af. De minderheid verliet daarop de vereniging.
Binnen Kerk en Vrede hadden uitspraken van de Zwitserse theoloog Karl Barth over de noodzaak van geweld tegen het fascisme tot gevolg, dat een aantal predikanten hun lidmaatschap opzegde. Degenen die lid bleven, legden sterker dan voorheen de nadruk op het persoonlijk getuigen van de onverzoenbaarheid van evangelie en oorlog.
De geweldloosheidsideeën werden door de Jongeren Vredes Actie in 1937 gesystematiseerd en verder ontwikkeld in het concept van de ‘pacifistische volksverdediging’. Dat concept betekende een belangrijke aanvulling op de ideeën van de JVA: de organisatie was voor nationale ontwapening, haar symbool was het gebroken geweertje.
Het concept van de ‘pacifistische volksverdediging’ maakte duidelijk dat ontwapening niet weerloos maakte, maar dat er mogelijkheden waren voor geweldloze weerbaarheid. Militaire verdediging vernietigde volgens de JVA wat het wilde beschermen, namelijk: welvaart, vrijheid en cultuur. Konden deze ‘werkelijke volksbelangen’ niet met passender middelen worden verdedigd? Het ging tenslotte niet om het grondgebied of de staatsmacht, maar om vaderlandse culturele waarden van de bevolking. Daarom zou het volk bij een bezetting aan de ene kant zoveel mogelijk zichzelf moeten blijven (door los van de bezetter het maatschappelijk leven te organiseren), en aan de andere kant iedere medewerking aan de bezetter moeten weigeren. Immers, geen heersers zonder gehoorzame onderdanen. Behalve non-coöperatie, burgerlijke ongehoorzaamheid en het onbruikbaar maken van de verbindingen van de bezetter zou ook het bezettingsleger moreel moeten worden aangesproken in discussies en door middel van propaganda. Tegelijkertijd zou er een internationale economische boycot tegen de agressor kunnen worden ingesteld om verdere druk uit te oefenen.
Het idee kreeg buiten de vredesbeweging geen ruime bekendheid, en daarbinnen alleen steun van enkele kleine radicale groepen zoals de IAMV. Binnen het veel grotere Kerk en Vrede werd wel over dergelijke plannen gediscussieerd, maar het hoofdbestuur wilde zich er niet over uitspreken. Daardoor moest de JVA een belangrijke potentiële bondgenoot missen. Internationaal contact was er met de Vlaamse Oud Strijders, die sterk verwante ideeën over geweldloze verdediging voorstonden.
De betrekkelijke onbekendheid met de ideeën van de Jongeren Vredes Actie over wat later ‘sociale verdediging’ zou worden genoemd, hangt samen met het toenemende isolement van de gehele vredesbeweging vanaf 1933. Een zelfde ontwikkeling maakte de vredesbeweging in landen als Engeland door, terwijl die in Duitsland vanaf datzelfde jaar verboden was. Dat steeds meer Nederlandse vredesorganisaties op de lijst van groepen werden geplaatst waarvan ambtenaren geen lid mochten zijn, is slechts een symptoom van veranderingen in het klimaat.
Opmerkelijk is ook dat tégen de vredesbeweging gerichte organisaties, die al in de loop van de jaren 1920 waren ontstaan, in de jaren 1930 de wind in de zeilen kregen. Deze organisaties werkten samen in het Centraal Comité tot Waarschuwing tegen eenzijdige Ontwapening, later veranderd in tot Waarschuwing tegen Ondermijning van ‘s lands weerbaarheid. Die naamsverandering houdt verband met het loslaten van de eis tot nationale, eenzijdige ontwapening door de Vrijzinnig Democratische Bond (in 1935) en de SDAP (in 1937). Daardoor viel overigens voor radicale vredesgroepen de voornaamste institutionele politieke steun weg. Alleen de kleine Christen Democratische Unie handhaafde de ontwapeningsleuze. Alleen de vrouwenvredesbeweging leek nog in staat bredere coalities te vormen. De Algemeene Nederlandsche Vrouwen Vredesbond groeide bijvoorbeeld van 3000 leden in 1931 tot bijna 10.000 in 1939. En de tussen 1934 en 1938 jaarlijks op Volkenbondsdag (18 mei) georganiseerde vrouwen-vredesgang was zeer succesvol; aan deze zwijgende optocht namen op het hoogtepunt, in 1936, 18.000 vrouwen deel.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, die in september 1939 met de Duitse inval in Polen zou beginnen, werd in Nederland de algemene mobilisatie afgekondigd. De door sommige vredesorganisaties verhoopte massale dienstweigering en algemene staking bleef uit, wel weigerden bijna 400 jonge mannen dat jaar dienst. In mei 1940 werd ook Nederland door de Duitsers bezet, en al snel daarna werd een einde gemaakt aan de openbare activiteiten van de vredesbeweging.
De betrekkelijk korte duur van de strijd tussen de Nederlandse en Duitse krijgsmacht in mei 1940 deed een aantal mensen met de beschuldigende vinger naar de vredesbeweging wijzen. Die beweging van het gebroken geweertje zou een belangrijke factor zijn geweest bij het ontstaan van de als zwak omschreven Nederlandse defensie. Deze opvatting wordt tot in onze dagen veelvuldig gehoord, maar hier is sprake van een mythe. Morele veroordeling en de vraag naar de feitelijke verantwoordelijkheid zijn daarbij door elkaar gaan lopen. Immers, zoals hierboven beschreven, was de invloed van de vredesbeweging al vanaf 1933 tanende en liet de belangrijkste oppositiepartij, de SDAP, hun eis tot eenzijdige ontwapening in 1937 vallen. Daarnaast werd de eerste regering waaraan de SDAP deelnam in augustus 1939 beëdigd, waardoor haar invloed op defensiezaken tot aan mei 1940 zeer gering is geweest.