AMB

De antimilitarisme website

Oorlog

Oorlog

 

De Verenigde Staten zagen de aanslagen van 11 september 2001 als een oorlogsdaad. Dat bleek niet alleen uit woorden maar ook uit daden. Zo werd toen op basis van artikel 5 een beroep gedaan op de middelen van de NAVO. Dit vonden critici te ver gaan. Hoewel verschrikkelijk en grotesk, de aanslagen konden niet gezien worden als een oorlogshandeling. Deze discussie maakt duidelijk dat er verschil van mening is over wat oorlog eigenlijk is.

Aan de ene kant is er de bekende definitie van Carl von Clausewitz: ‘oorlog is het voortzetten van de politiek met andere middelen‘. Hier gaat Clausewitz er impliciet van uit dat oorlog een toestand is die alleen tussen staten bestaat. Buiten de definitie vallen bijvoorbeeld de gewapende strijd tussen (delen van) volkeren.

Aan de andere kant staat de definitie die militair historicus John Keegan stelt in deel 1 van de serie ‘War and Civilization’ uitgezonden door Discovery Channel: ‘oorlog is het collectief doden voor een collectief vastgesteld doel‘. Door deze definitie worden alle gewapende conflicten als oorlog gezien, behalve als het gaat om rellen en persoonlijk geweld (zoals moord).

Bovenstaande definities gaan ervan uit dat er tijdens een oorlog altijd sprake is van de aanwezigheid van gewapende strijd. Die hoeft er (nog) niet te zijn. Hieraan wordt voldaan door de definitie van Mosely die (vrij vertaald) stelt dat: ‘oorlog is een toestand van een georganiseerd collectief conflict of vijandigheid met een open einde’.

 

Uit analyses omtrent het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog komt naar voren dat, na de moordaanslag op kroonprins Franz Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw in Serajevo, oorlog onvermijdelijk was geworden. Na de moord volgde een keten van gebeurtenissen die niet meer te stoppen was.

Waarom was die niet te stoppen?

Hierop zijn verschillende visies mogelijk, ingegeven door wat men ziet als de oorzaak van oorlog.

Bij het zoeken naar de oorzaak van oorlog, komen veel denkers uit op de bredere filosofische discussie tussen determinisme en vrijheid. Reageert de mens alleen maar op wat de buitenwereld brengt of is de mens vrij in zijn keuzes?

Voor de een is oorlog een natuurlijk gegeven waar de mens geen invloed op heeft (determinisme). Het is onoverkomelijk en de mens moet het ondergaan. Het enige wat gedaan kan worden is de risico’s en gevolgen zo klein mogelijk te houden.

Voor de ander is de mens vrij om te kiezen. De oorlog is dan volledig zijn eigen keuze en hij heeft dan ook de volledige verantwoordelijkheid. Na deze constatering valt deze school snel uiteen in verschillende stromingen. Zoals zij die de burger verantwoordelijk houden voor de daden van hun regering, of zij die de regering alle verantwoordelijkheid laten. Het gaat hier te ver om op alle stromingen in te gaan.

Verdere oorzaken voor het ontstaan van oorlog worden gevonden in biologische, culturele en rationele verklaringen. Voorbeelden zijn: de mens is van nature geneigd tot oorlog (of vrede) en territoriumdwang, culturele instituties (staat, kerk, leger) moeten onvermijdelijk tot oorlog leiden of de vrede bevorderen, oorlog is het resultaat van de rede (of gebrek aan).

 

Volgens Hobbes is er een natuurlijke staat waarin de mens vanwege zijn aard in oorlog is met de medemens. Om zijn behoeftes te kunnen (blijven) bevredigen is er sprake van een voortdurende staat van oorlog. Samen met Rousseau vindt hij dat van deze toestand ook sprake is tussen staten. Rousseau vindt dat deze toestand moet bestaan tussen staten omdat anders de staat ten onder gaat. Oorlog is onvermijdelijk en pogingen tot vrede door middel van federaties zijn onzinnig.

Daar tegenover staat Kant die vindt dat de mens zijn behoeftes moet bevredigen, maar deze behoeftebevrediging uiteindelijk leidt naar vrede en samenwerking. Sterker nog, vrede en samenwerking zijn noodzakelijk om tot behoeftebevrediging te komen.

 

Wanneer is een oorlog gerechtvaardigd? Deze vraag gaat uit van het uitgangspunt dat een oorlog te rechtvaardigen is. En gaat eigenlijk over de morele en politieke criteria die een oorlog rechtvaardigen. Ook hier zijn de meningen sterk verdeeld.

Een pacifist zal deze vraag verwerpen en stellen dat er geen morele en politieke criteria bestaan die een oorlog rechtvaardigen.

Een ‘defencist’ stelt dat een oorlog alleen toegestaan is om zichzelf te verdedigen bij een aanval.

Anderen hangen de theorie aan dat het gebruik van oorlog wel degelijk een manier is om vrede te ondersteunen, verdedigen en veilig te stellen. Deze kunnen worden bereikt door een defensieoorlog, afschrikking, agressie en interventies.

Bovenstaande uitgangspunten gaan allemaal uit van de gedachte dat het enige einddoel van oorlog altijd vrede moet zijn. Maar er zijn ook theorieën die andere criteria geven voor het rechtvaardigen van oorlog. Zij geven aan dat oorlog naast het bereiken van vrede ook dient om een nationale identiteit op te bouwen, om territorium te veroveren en om eer en glorie te verwerven.

Sociaal darwinisten (denk aan de nazi’s in Hitler-Duitsland) zien oorlog als een middel van natuurlijke selectie. De zwakkeren sneuvelen, de sterkere overleven en op die manier wordt de maatschappij er beter en sterker van.

 

En ander onderwerp dat een rol speelt bij het rechtvaardigen van oorlog is de (politieke) verantwoordelijkheid. Een oorlog starten met het verklaren van de oorlog van een staat aan een andere, roept de vraag op naar de verantwoordelijkheid voor die oorlog.

Is de regering of is ook de burger verantwoordelijk te stellen voor zo’n oorlog? Het lijkt onwaarschijnlijk dat een democratisch gekozen regering zal besluiten tot het verklaren van een oorlog als een meerderheid van de bevolking daar negatief tegenover staat. In Nederland bijvoorbeeld is vooraf toestemming nodig van de Staten-Generaal. Als burgers verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor een oorlogsverklaring dan heeft dat niet alleen consequenties voor de rechtvaardigheid van de oorlog. Vanaf dat moment kunnen zij een legitiem doel vormen voor de geweldsmiddelen van de tegenpartij.

 

Dit leidt tot het laatste wat nog aan bod moet komen namelijk: de middelen waarmee een oorlog gevoerd kan worden.

Wanneer worden geweldsmiddelen en het toepassen ervan, disproportioneel met de gestelde doelen?Kan een oorlog alsnog onrechtvaardig worden als de middelen te zwaar zijn, zoals bijvoorbeeld het bombarderen van steden of andere civiele doelen?

Of is alles toegestaan in een oorlog als die oorlog zelf inmiddels is gerechtvaardigd? Het gaat hier over de vragen van de rechtvaardiging IN de oorlog. Bij een absolute oorlog (een oorlog waar de gehele maatschappij en haar middelen worden aangewend voor het voeren van de strijd) is een onderscheid tussen civiele en militaire doelen minder voor de hand liggend en kan dat gemakkelijk leiden tot een totale oorlog (een oorlog zonder restricties).

Velen vinden dat ondanks een staat van absolute oorlog er toch een aantal doelen zijn die moeten worden vermeden. Zoals het aanvallen van non-combattanten, vrouwen en kinderen en het vernietigen van kunstwerken en historische gebouwen. Al is het alleen al om wraak en vergelding te voorkomen. Een voorbeeld van een absolute oorlog die afgegleden is naar een totale oorlog vormt het verloop van de Tweede Wereldoorlog met als hoogtepunten het bombardement op Dresden en de twee atoombommen op Japan. Hoewel de ‘daders’ hiervan als overwinnaars nooit voor de rechter kwamen, ontstond er na de oorlog meer en meer discussie over de rechtvaardigheid van deze acties.

 

Uit de ontstaansgeschiedenis van de Conventies van Genève wordt duidelijk dat deze een reactie vormden op gebeurtenissen uit de voorafgaande oorlogen. Het doel van de Conventies was om het afglijden naar een totale oorlog te voorkomen en de gevolgen van een oorlog te verzachten.

 

Een meer recente discussie over de rechtvaardigheid van bepaalde doelen werd gevoerd tijdens de eerste Golfoorlog met Irak om Koeweit (1991). In die oorlog werd door de Amerikanen zowel militaire als civiele doelen bestookt. Er rees al snel de discussie of een aantal van de civiele doelen niet zuiver tegen de Iraakse burgers gericht waren. In hoeverre waren waterzuiveringsinstallaties, irrigatiesystemen, elektriciteitcentrales en ziekenhuizen aan te merken als rechtvaardig militaire doelen?

 

In het conflict om Kosovo (1999) werd Servië gebombardeerd door de NAVO. Voor het eerst werden missers eufemistisch aangeduid als ‘collateral damage’ oftewel ‘zijdelingse schade’. In de oorlog in Irak (2003) kwam deze term weer terug. Het geeft een extra dimensie aan de discussie over de rechtvaardigheid om civiele doelen uit te kiezen. De VS moesten vele malen toegeven dat er sprake was van ‘collateral damage’. Impliciet geven ze daarmee toe dat het niet goed is om deze doelen te raken maar helaas onvermijdelijk. En een cynicus zou eraan toevoegen ‘en soms niet onwenselijk’.

 

De praktijk blijkt hardnekkiger dan de theorie. Op vele manieren worden de wetten en verdragen, die zijn geschreven om een oorlog te voorkomen en zijn gevolgen te verminderen, omzeild. Een daarvan is het woord ‘oorlog’ domweg te vermijden. Eufemistische woorden dekken nu de lading. Peace-enforcing en peace-keeping (het afdwingen en behouden van de vrede) zijn twee bekenden. Evenals het ‘uitvoeren van een resolutie van de Veiligheidsraad’. Of wat te denken van de term ‘politionele acties’, uit de Nederlandse naoorlogse geschiedenis in Indonesië.

De voordelen voor het niet verklaren van een gewapend conflict tot een oorlog zijn legio. In Nederland vervalt dan de grondwettelijke verplichting tot goedkeuring van de Staten-Generaal. De Conventie van Genève hoeft niet te worden toegepast. Gevangenen zijn dan geen krijgsgevangenen, maar gewone criminelen.

Denk daarbij aan de gevangen genomen Talibanstrijders uit Afghanistan. Zij worden door de Verenigde Staten vastgehouden als leden van een internationale terroristische organisatie en niet als krijgsgevangenen.