AMB

De antimilitarisme website

Acties tegen de Vlootwet

Het confessionele coalitiekabinet van de eerste katholieke premier Ruys de Beerenbrouck lanceerde in 1921 een plan om de vloot uit te breiden, vooral met het oog op de verdediging van Nederlands Indië. In 1922 kwam een wetsontwerp in de kamer, waarin de uitbreiding met een ‘halve vloot’ bepleit werd. De operatie werd begroot op ruim 200 miljoen gulden. Het werd duidelijk dat de katholieke fractie verdeeld was over de wet en de behandeling werd geschorst. De minister van Financiën De Geer trad in juli 1923 af vanwege financiële bezwaren tegen het vlootplan, maar ook om persoonlijke ‘pacifistische’ redenen. De strijd tegen de Vlootwet werd tot dan toe vooral gevoerd door radicale vredesorganisaties en traditionele antimilitaristen als Bart de Ligt en Anton Constandse. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en het Nationaal Vak Verbond (NVV) namen de strijd over. De SDAP plaatste zich in 1921 op het standpunt van de nationale ontwapening; het NVV nam in juli 1922 een resolutie aan, waarin ‘geen man en geen cent voor het militarisme’ als leidraad was opgenomen.

Het aftreden van minister De Geer was het startsein voor een landelijke campagne tegen de Vlootwet. De sociaal-democraten voelden dat er een tweespalt in de confessionele coalitie mogelijk was. De Geers opvolger, de beruchte antirevolutionair Colijn, lag slecht in katholieke kringen. Maar ook de katholieke vakbeweging kon, in een tijd van grote bezuinigingen, de Vlootwet niet aan de achterban verkopen.

Een combinatie van pragmatische partijpolitiek en anti-oorlogsgevoelens bij veel socialisten, zorgde voor een grootse actie. Op 23 september vond een landelijke demonstratie plaats op het IJsclubterrein – het huidige Museumplein – in Amsterdam. Ongeveer 80.000 mensen protesteerden tegen de Vlootwet. De demonstratie was tevens het startsein voor een volkspetitionnement. Binnen drie weken werden 1.132.228 handtekeningen tegen de Vlootwet verzameld. Op 16 oktober, de dag van het kamerdebat, werden de handtekeningen aan de voorzitter van de Tweede Kamer overhandigd. Hoe de stemming in de kamer zou uitpakken was nog onduidelijk. In de Kamer waren de sociaal-democraten, vrijzinnig-democraten en liberalen (de gehele oppositie), overigens ook om partijpolitieke redenen, tegen de wet. De oppositie bekleedde 40 van de 100 Kamerzetels, echter de R.K. Staatspartij (een regeringspartij) was verdeeld. Na felle debatten vond op 26 oktober de stemming plaats. Vooral onder druk van de katholieke vakbeweging stemden uiteindelijk tien katholieke Kamerleden met de oppositie mee. Omdat bij de stemming één Kamerlid ontbrak werd de Vlootwet met 50 tegen 49 stemmen verworpen.

Binnen sociaal-democratische kringen heerste een jubelstemming. Niet alleen was de Vlootwet getorpedeerd, maar ook was het gelukt om in te breken in het katholieke kamp. De parlementaire macht van de sociaal-democratie leek hierdoor vergroot. Toch lukte het niet om een blijvende scheuring in de katholieke zuil tot stand te brengen. Toen in 1930 opnieuw een vlootplan werd ingediend, organiseerden SDAP, NVV en Kerk en Vrede wederom demonstraties en een volkspetitionnement. De katholieken schaarden zich echter als één blok achter hun defensieminister. De uitbreiding van de vloot ging gewoon door.

In het algemeen wordt de verwerping als een succes van de vredesbeweging gezien. Dat lijkt in zoverre juist, dat enkele radicale groepen uit die beweging deel uitmaakten van de ad hoc coalitie tegen de vlootwet. De acties daarvoor werden echter voornamelijk georganiseerd door SDAP en NVV.