1914-1918
De Eerste Wereldoorlog
Op 28 juni 1914 werd de Oostenrijkse kroonprins Frans Ferdinand in Sarajevo bij een terroristische aanslag dodelijk gewond. Het zou de ouverture worden voor wat later de Eerste Wereldoorlog is gaan heten. Binnen een paar maanden waren de meeste Europese landen in een militair conflict verwikkeld. Nederland wist zijn neutraliteit te handhaven. Echter de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog gingen niet aan ons land voorbij; de Nederlandse maatschappij zou er ingrijpend door veranderen.
Op 1 augustus mobiliseerde Nederland, om zo zijn neutraliteit te kunnen beschermen. In eerste instantie werden 200.000 militairen onder de wapenen geroepen. In de volgende jaren zorgden nieuwe oproepen voor een verdubbeling van de legersterkte. De uitrusting van de soldaten was onvoldoende en het moreel onder de troepen was laag. De dienstplicht werd over het algemeen met weinig animo aanvaard. De motivatie verminderde nog meer toen tijdens de oorlogsjaren steeds duidelijker werd dat Nederland buiten de directe militaire confrontaties zou blijven.
Voor de arbeidende bevolking waren de gevolgen van de mobilisatie desastreus. Omdat een groot aantal arbeiders gemobiliseerd was, raakte het economische leven ontwricht. De export stokte en de werkloosheid nam plotseling sterk toe. De gezinnen van de gemobiliseerden kregen een aanzienlijke inkomensdaling te verwerken, omdat de soldij veel lager was dan het loon waaraan men gewend was.
Terwijl onder de bevolking de nood steeg, begonnen ‘oorlogswinstmakers’ al snel op grote schaal levensmiddelen naar Duitsland te exporteren. De schaarste, toch al groot door de verminderde aanvoer vanuit het buitenland, werd door deze export nog eens versterkt en deed de prijzen de pan uitrijzen. De winsten stegen enorm; het aantal miljonairs verdubbelde tussen 1913 en 1920. Zo groeide, als gevolg van oorlog en mobilisatie, de kloof tussen arm en rijk.
Al in de eerste oorlogsmaanden ontstond er verzet tegen de schaarste, de mobilisatie en de oorlogswinstmakerij. Vrouwen- en werklozencomités gingen de straat op. Gedurende de gehele oorlog waren er steeds weer onlusten in de volksbuurten van de grote steden. Het verzet had weinig politiek effect. De regering nam wel maatregelen om het economisch leven op gang te houden, maar deed weinig om de nood onder de bevolking te ledigen.
Het uitbreken van de oorlog had uiteraard ook verstrekkende gevolgen voor mensen, die actief waren in de strijd tegen oorlog en militarisme. Over het algemeen droeg de oorlog ertoe bij dat de vredes- en antimilitaristische beweging zowel inhoudelijk als organisatorisch versterkt werd. Ook na het beëindigen van de oorlog bleef deze versterkte positie behouden. .
De liberaal-pacifistische beweging
De liberaal-pacifistische beweging realiseerde zich, dat in oorlogstijd een vredesbeweging in een klein en neutraal land slechts dàn kans van slagen zou hebben, als een zo groot mogelijke eenheid werd gevormd.
In oktober 1914 sloten talrijke organisaties zich aaneen in de Nederlandse Anti-Oorlog Raad (NAOR). De NAOR propageerde de traditionele eisen van de liberaal-pacifistische beweging: samenwerking tussen de nationale staten, wapenbeheersing door internationale overeenkomsten en arbitrage bij internationale conflicten. Ontwapening en wapenbeheersing binnen het bestaande systeem van nationale staten werd gepropageerd, zonder het militaire systeem als verdediging van de nationale staat ter discussie te stellen. Nieuw was de vraag naar medezeggenschap van de volksvertegenwoordiging in de buitenlandse politiek. Verder wilden ze dat geheime verdragen ongeldig werden. Twee factoren die volgens NAOR hadden bijgedragen aan het ontstaan van de oorlog. (De afspraken over wederzijdse bijstand in tijden van oorlog met Duitsland, tussen Frankrijk en Rusland enerzijds en Frankrijk en Groot-Brittannië anderzijds waren voor het uitbreken van de oorlog geheim. Ook voor de parlementen van de landen)
Door meer publiciteit en propaganda ten behoeve van vredesvraagstukken en door deze van een wetenschappelijke onderbouwing te voorzien, hoopte de NAOR het vredesstreven onder de West-Europese bevolking te versterken.
In andere landen ontstonden soortgelijke organisaties. Tijdens een internationaal congres in Bern in 1915 verenigden deze zich in een federatie.
De eind 1914 opgerichte Algemeene Nederlandsche Vrouwen Vredebond wilde vrede tussen de volkeren en vredesgezindheid tussen mensen bevorderen. Meer uitgesproken en ook radicaler waren de doelstellingen van het Nationaal Comité van Vrouwen voor Duurzame Vrede, dat begin 1915 werd gevormd op een groot vrouwenvredescongres in Den Haag. Daar werd ook tot een Internationaal Comité besloten. Het Nationaal Comité wees alle oorlogsvoorbereiding af en propageerde ‘volkomen en universele’ ontwapening. Beide organisaties benadrukten de mogelijkheden van opvoeding tot vrede en de rol van de vrouw daarbij, maar met hetzelfde verschil in radicaliteit. Vooraanstaande leden van de vrouwenkiesrecht-beweging, zoals Aletta Jacobs, waren actief in het Nationaal Comité.
Ook antimilitaristische groeperingen begonnen meer samen te werken. Twee gebeurtenissen in de samenwerking dienen met name genoemd te worden: de uitgave van een ‘Manifest van sympathie met eventuele dienstweigeraars’ en de oprichting van een Revolutionair Socialistisch Comité van Actie tegen de Oorlog en zijne Gevolgen. De samenwerking in het comité beperkte zich overigens niet tot de strikt antimilitaristische groeperingen.
Het genoemde manifest, kortweg Dienstweigeringsmanifest geheten, was aanvankelijk een reactie op een oproep van een aantal vooraanstaande Nederlanders aan de regering. In die oproep werd gepleit voor onmiddellijke invoering van een algemene oefenplicht als overgang naar een algemene dienstplicht. Kort daarna diende de regering bij het parlement een wet in die een algemene dienstplicht voorschreef voor alle mannen tot veertig jaar.
In verschillende steden werden door antimilitaristische groeperingen protestmanifestaties georganiseerd. Het aantal dienstweigeraars begon te groeien; in de periode 1914-1918 werden ongeveer 600 dienstweigeraars veroordeeld. Daaronder bevonden zich niet alleen anarchisten en christen-anarchisten, voor wie dienstweigeren in overeenstemming was met hun traditionele denkbeelden. Ook anderen, partijlozen en zelfs enkele leden van de SDAP, verdwenen in de gevangenis.
In september 1915 verscheen het Dienstweigeringsmanifest in drukvorm. Een groot aantal mensen uit verschillende groeperingen kondigde daarin aan dienst te zullen weigeren, wanneer ze opgeroepen zouden worden. Aan hen die al dienst geweigerd hadden, werd steun toegezegd.
Het manifest beleefde talrijke herdrukken en het aantal ondertekenaars groeide. In 1916 verscheen een internationale versie. Daarin werd het weigeren nog eens aangescherpt; het ging niet meer alleen om de gewapende landsverdediging, maar richtte zich tegen ‘iedere persoonlijke gewelddaad in dienst van het militarisme’. Veel ondertekenaars en verspreiders van het manifest werden op beschuldiging van opruiing veroordeeld tot geldboetes of gevangenisstraf. Ambtenaren, die het manifest ondertekend hadden, kregen ontslag.
Het dienstweigeringsmanifest was in twee opzichten belangrijk. Het legde de basis voor de samenwerking van de antimilitaristische groepen, welke tot ver in de jaren twintig zou voortduren. Daarnaast toonde het manifest aan hoe in de eerste oorlogsmaanden het denken over militarisme en geweld en over de bestrijding daarvan veranderde.
De oprichting van het ‘Comité van Actie tegen de Oorlog en zijne Gevolgen’ was een uiting van de groeiende samenwerking tussen verschillende groepen uit de anarchistische en socialistische beweging. Aanleiding tot de oprichting waren de gebeurtenissen van 31 maart 1916. Nadat de Engelse regering een ultimatum had gesteld, deden geruchten de ronde dat Nederland direct bij de oorlog betrokken zou worden. Het parlement kwam bijeen en de regering maakte vage toespelingen op het gevaar van de internationale toestand – achteraf bleek het bericht op onwaarheid te berusten. Socialistische en anarchistische groepen werden gemobiliseerd. In het daarop volgende weekend vonden in de grote steden al protestmanifestaties plaats.
Op 2 april werd het comité opgericht, dat kortweg het Revolutionair Socialistisch Comité (RSC) ging heten. In een manifest, dat de oprichting van het RSC bekend maakte, stelde het zich ten doel het verzet tegen de gevolgen van de oorlog, de prijsstijgingen en de schaarste aan levensmiddelen te propageren en te organiseren. Het comité riep verder op tot het vormen van een volksbeweging tegen het imperialisme en tegen oorlog en militarisme.
Het RSC was een betrekkelijk heterogeen gezelschap en bestond onder andere uit:
a) De Sociaal-Democratische Partij (SDP), de linkse fractie van de SDAP die in 1909 uit die partij was gezet. Op het congres van 1918 zou de naam veranderd worden in ‘Communistische Partij Holland’ (CPH).
b) Het Revolutionair-Socialistisch Verbond (RSV), een organisatie van linkse socialisten, opgericht in 1915. Het RSV stond onder leiding van Henriëtte Roland Holst en pleitte voor een internationaal georganiseerd proletariaat, zowel op politiek als op economisch terrein. Daarbij zouden directe acties gepropageerd moeten worden. Want volgens het RSV konden alleen eenheid en macht van het internationale proletariaat leiden tot een vreedzame opbouw van socialistische gemeenschappen.
c) De Bond van Christen-Socialisten (BvCS). Deze bond was in 1907 opgericht naar aanleiding van een brochure van Enka, pseudoniem voor Anke van der Vlies. De basis was niet een marxistische maatschappij-analyse, maar ‘een uitvloeisel van het christendom’. De christen-socialisten beschouwden het kapitalisme als zonde en als onrecht en achten het in strijd met de christelijke beginselen. Vooral onder invloed van de nieuwe leden ontwikkelde de Bond zich steeds meer in een radicaal antimilitaristische richting. In 1915 namen ze als eerste politieke partij de eis tot onmiddellijke en absolute ontwapening op in haar programma.
d) De Internationale Anti-Militaristische Vereniging (IAMV), de antimilitaristische organisatie van voornamelijk Nederlandse anarchisten en syndicalisten. Ze was vooral belangrijk vanwege haar activiteiten op propagandistisch terrein.
e) Het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS). Een vakcentrale op federatieve grondslag in 1893 opgericht. Hierin waren vele syndicalistische en anarchistische arbeiders actief maar, omdat het NAS zich nooit verbonden had met enige partij of groepering, hadden ook arbeiders uit andere politieke stromingen zich aangemeld. In het NAS was het meest strijdbare gedeelte van de Nederlandse arbeiders georganiseerd.
Mede onder invloed van deze laatste bepleitte het Comité werkweigering in de oorlogsindustrie en stakingsacties. Het comité riep de vakbonden op te gaan praten over stakingen, wanneer de oorlog zich ook werkelijk tot Nederland zou uitbreiden.
Met voortvarendheid nam het RSC ook de propaganda voor een andere antimilitaristische activiteit ter hand: het weigeren van destructieve arbeid. Of, zoals het in een pamflet voor de arbeiders in de munitiefabriek gesteld werd, het weigeren van antiproductie – ‘de productie die ertoe dient het leven te vernietigen’. Door dit werk te weigeren was het mogelijk de oorlog te verhinderen. Militaire dienstweigering zou dan niet meer noodzakelijk zijn.
Hiermee was het idee van het weigeren van productie voor militaire doeleinden voor de eerste maal in Nederland geformuleerd.
Het uitbreken van de oorlog was een gebeurtenis, die vergaande invloed had op de activiteiten en inzichten van antimilitaristische en pacifistische groepen in Nederland. Ook al bleef Nederland buiten de directe militaire confrontaties, met name de antimilitaristen ontkwamen er niet aan consequenties te trekken. Zij waren er immers tot nu toe van uitgegaan dat een oorlogsverklaring onmiddellijk beantwoord zou worden met opstanden en stakingen van de arbeidende klasse. Deze daden maakten elke oorlogsvoering onmogelijk, was de gedachte.
De gebeurtenissen in de zomer van 1914 waren voor hen dan ook een grote teleurstelling. Duidelijk werd, dat het vertrouwen in de internationale solidariteit van de arbeiders misplaatst was. Niet alleen bleven stakingen achterwege, de arbeidersklassen van de verschillende landen besreden elkaar op het slagveld.
De oorlog was nauwelijks uitgebroken of de discussies in de beide grote antimilitaristische bewegingen – de anarchistische en de sociaal-democratische – begonnen. De uitgangspunten waren verschillend. De anarchisten, die zichzelf als de enige werkelijke antimilitaristen beschouwden, hadden elke deelname aan het militarisme van de burgerlijke maatschappij verworpen. De proletariërs, aldus de anarchisten, hadden geen belang bij de verdediging ervan. Daarom: ‘Geen man en geen cent voor het leger’. Het uitbreken van de oorlog dwong hen evenwel na te denken over de vraag of een volk zonder leger niet volledig weerloos zou zijn.
De sociaal-democraten hadden in het verleden de nationale verdediging tot op zekere hoogte geaccepteerd en aangedrongen op de vorming van een volksleger. Nu was datzelfde volk echter bezig elkaar in het belang van de heersende klasse af te slachten. Door de top van de sociaal-democratische partij werd hieruit nauwelijks conclusies getrokken. Binnen de linkervleugel en buiten het kader van de partij was de verwarring des te groter.
Hoe verschillend de uitgangspunten ook waren, de kern van het probleem was voor beide bewegingen hetzelfde. Welke verdediging paste bij een socialistische maatschappij? In de discussies gedurende de oorlogsjaren slaagden de antimilitaristische groeperingen erin hierover de eerste theoretische inzichten te ontwikkelen.